Discursiviteit van het conflict · DVC-4

De DQAA-methode (casusanalyse)

Je kunt registers kennen, escalatietypen herkennen en dominantie zien, en toch in een casus vastlopen. Niet omdat de concepten fout zijn, maar omdat je geen vaste volgorde hebt om ze toe te passen. De DQAA-meth

Overzicht

Je kunt registers kennen, escalatietypen herkennen en dominantie zien, en toch in een casus vastlopen. Niet omdat de concepten fout zijn, maar omdat je geen vaste volgorde hebt om ze toe te passen.

De DQAA-methode is zo'n volgorde. Ze dwingt je om eerst te beschrijven, dan te bevragen, dan te diagnosticeren, en pas dan richting te kiezen. Dat klinkt simpel. In de praktijk is het precies dit sequentiële discipline die voorkomt dat je te snel gaat interpreteren of interveniëren.

Waarom een methode?

Concepten geven je woorden. Een methode geeft je volgorde.

Zonder volgorde gebeuren drie voorspelbare dingen. Je springt naar inhoud ("wie heeft gelijk?"), je springt naar psychologie ("waarom doet die zo?"), of je springt naar interventie ("we moeten dit oplossen"). DQAA houdt je in een discursieve houding: eerst zien, dan vragen, dan duiden, dan handelen.

Stap D — Discours (beschrijven)

In deze stap doe je één ding: beschrijven. Je inventariseert sleutelzinnen — letterlijk, niet geparafraseerd. Vervolgens wijs je per zin het register toe: zo is het, zo hoort het, zo werkt het, zo voelt het. Ten slotte maak je de registerverdeling zichtbaar: welk register domineert per partij, is er een gedeeld register, of spreken partijen volledig langs elkaar heen?

De werkvraag voor deze stap: welk type antwoord verwacht elke partij als "correctie"?

Stap Q — Question (bevragen)

Elke uitspraak rust op impliciete aannames. De Q-stap maakt ze zichtbaar zonder aanval.

Je bevraagt drie soorten premissen. Feitelijke premissen: wat wordt als waar aangenomen zonder verificatie? Normatieve premissen: welke norm wordt als vanzelfsprekend behandeld? En relationele premissen: welke positie wordt als onbetwistbaar geclaimd?

De werkvraag voor deze stap: wat moet ik eerst expliciet maken opdat partijen elkaar überhaupt kunnen verstaan?

Stap A1 — Analyse (diagnosticeren)

Nu pas formuleer je een werkdiagnose. Je bepaalt het escalatietype: relationeel-systemisch, discursief-logisch, of registeroverschrijdend. Je formuleert een escalatievector: waar beweegt het conflict naartoe — personalisering, verharding, symmetrie, exit? En je checkt of er een absorptiemechanisme actief is dat het conflict onzichtbaar of "normaal" houdt.

Belangrijk: dit is een hypothese. Je toetst ze in vervolgvragen en in interventie, niet door ze als waarheid te presenteren.

Stap A2 — Actie (richting kiezen)

Je kiest geen volledig plan — dat is de volgende les. Je kiest een interventierichting.

Bij relationeel-systemische escalatie is de richting patroon doorbreken. Bij discursief-logische escalatie is de richting premissen expliciteren. Bij registeroverschrijdende escalatie is de richting registers weer uit elkaar halen en een gedeeld register installeren. En wanneer absorptie actief is, is de richting het mechanisme zichtbaar maken.

De werkvraag die alles samenbindt: wat moet primair veranderen opdat corrigeerbaarheid terugkeert?

Mini-voorbeeld

Twee collega's botsen over klanten. C zegt: "D pikt mijn klanten in, het is oneerlijk." D antwoordt: "Ik doe mijn werk. Als C beter presteerde, was dit geen probleem."

In de D-stap wordt zichtbaar dat C normatief spreekt (eerlijkheid, recht) terwijl D feitelijk-performatief spreekt (resultaat, prestatie). Er is geen gedeeld register. In de Q-stap verschijnen de verborgen premissen: wat betekent "klanten zijn van mij"? Welke norm hanteert men? En welke definitie van "presteren" is hier actief? De A1-stap levert de werkdiagnose: registeroverschrijdende escalatie met een vector naar personalisering. En de A2-stap wijst de richting: eerst premissen expliciteren en een gedeeld feitenkader installeren, vóór de normstrijd.

Reflectie

Alle fiches in deze module