Discursiviteit van het conflict · DVC-C1
Elke uitspraak heeft twee lagen
De vorige les legde het filosofische fundament: positiebepaling vereist drie referenties, conflicten spelen zich af op drie niveaus, en het discursieve niveau bepaalt de voorwaarden waaronder posities überhaupt
Overzicht
De vorige les legde het filosofische fundament: positiebepaling vereist drie referenties, conflicten spelen zich af op drie niveaus, en het discursieve niveau bepaalt de voorwaarden waaronder posities überhaupt verschijnen. Maar hoe ontstaan die registers concreet? Het kwadrantenmodel vertrekt niet van "wat wordt gezegd?" maar van vanuit welke waarheid wordt gesproken?
Om dat te kunnen horen, moet je een uitspraak opbreken in twee lagen. De eerste laag bepaalt welk type werkelijkheid iemand in het gesprek binnenbrengt. De tweede laag bepaalt hoe iemand onderbouwt dat iets klopt. Beide lagen lopen in elke zin mee, ook wanneer niemand ze benoemt — en hun kruising levert precies de vier registers op die het kwadrantenmodel beschrijft.
Twee lagen in elke uitspraak
De eerste laag gaat over welk soort werkelijkheid iemand in het gesprek binnenbrengt. Soms spreekt iemand over iets dat je kan formuleren zonder het zelf te moeten meemaken — regels, definities, principes, categorieën. De geldigheid van de uitspraak ligt dan in de abstracte orde zelf. Soms spreekt iemand vanuit iets: een ervaring, een waarneming, een concrete gebeurtenis. De geldigheid ligt dan niet in een regel, maar in het feit dat iets zich zo heeft voorgedaan. Je hoort het verschil in zinnen als "De procedure voorziet drie stappen" tegenover "Ik heb drie keer gemeld dat dit gebeurde, en er veranderde niets." Beide zinnen kunnen over hetzelfde dossier gaan, maar ze brengen een ander type werkelijkheid binnen. Wie het verschil niet hoort, zal proberen te corrigeren in de verkeerde taal.
De tweede laag gaat over hoe iemand onderbouwt dat iets klopt. Geldigheid via principes betekent: het klopt omdat het logisch volgt, omdat het in regels staat, omdat het principieel zo hoort. De onderbouwing is abstract en wil gelden onafhankelijk van deze situatie. Geldigheid via waarneming betekent: het klopt omdat het zichtbaar, meetbaar, observeerbaar of ervaarbaar is in deze context. De onderbouwing is gebonden aan wat er in dit dossier gebeurt. In veel gesprekken is dit de eigenlijke botsing: de ene partij verwacht een normatieve of logische correctie, de andere partij verwacht erkenning van wat waarneembaar of ervaren is. Beide verwachtingen kunnen legitiem zijn, maar ze vragen niet dezelfde bewijslogica.
De kruising: vier registers
Als je beide lagen kruist, ontstaan vier combinaties. Elke combinatie is een register: een manier om geldigheid te claimen.
| Over iets (intern) | Vanuit iets (extern) | |
|---|---|---|
| Via principes (transcendent) | Zo moet het (structureel/universeel) | Zo hoort het (normatief/conventioneel) |
| Via waarneming (immanent) | Zo is het (existentieel/empirisch) | Zo voelt het (relationeel/pluraliteit) |
Dat de registers niet arbitrair zijn maar voortkomen uit de kruising van twee fundamentele lagen, verklaart waarom registermismatch zo hardnekkig is. Het gaat niet om een verschil in mening maar om een verschil in wat als bewijs en correctie mag gelden.
Hoe dat escaleert, wordt concreet in een eenvoudig voorbeeld. Neem de uitspraak: “Ik word hier niet gehoord.” Die zin komt uit het register zo voelt het: het gaat over wat er in de ontmoeting op het spel staat — erkenning, zichtbaarheid, betekenis die tussen posities ontstaat. Als de ander antwoordt: “Er was vorige week nog overleg,” dan komt dat uit zo is het: het gaat over wat feitelijk het geval is in deze situatie. Beide uitspraken kunnen kloppen. Maar ze landen niet op elkaar, omdat ze een andere vorm van geldigheid installeren. De eerste vraagt: “Zie jij wat dit met mij doet?” De tweede antwoordt: “Kijk naar wat er feitelijk gebeurde.” Het gevolg is dat beide partijen zich onbegrepen voelen, zonder dat één van beiden noodzakelijk onredelijk is. De escalatie zit niet in de inhoud maar in de mismatch tussen de lagen.
De gradiënt van referentie
De twee lagen vertalen zich naar de twee assen van het kwadrantenmodel. De verticale as loopt van transcendentie (geldigheid via principes — een referentie die buiten de situatie staat) naar immanentie (geldigheid via waarneming — referentie die in de situatie zelf ligt). De horizontale as loopt van intern (spreken over iets — onafhankelijk van de relatie) naar extern (spreken vanuit iets — bemiddeld door of in de relatie).
De vier registers ordenen zich daarmee als een gradiënt van referentie — van geen gedeelde referentie tot volledig gedeelde referentie buiten de relatie:
- Rechts onder (immanent + extern) — Zo voelt het. Geen vaste referentie. Betekenis ontstaat in de ontmoeting tussen posities — in het “tussen” dat niemand alleen kan beheersen. Hier leeft de pluraliteit.
- Links onder (immanent + intern) — Zo is het. Existentiële grond. De situatie zelf als referentie: wat iemand constateert, observeert, meemaakt. De feitelijkheid van wat zich voordoet.
- Rechts boven (transcendent + extern) — Zo hoort het. Er is een gedeelde referentie, maar zij wordt binnen de relatie bemiddeld: gedeelde normen, afspraken, conventies.
- Links boven (transcendent + intern) — Zo moet het. De gedeelde referentie staat buiten de relatie: structuur, systeem, universeel principe. Het kader dat geldt ongeacht de situatie.
De twee modellen uit de vorige les corresponderen met de assen: model 1 (kader bepaalt posities) bestrijkt de bovenkant, model 2 (posities bepalen kader) de onderkant. Discursiviteit — het derde niveau — is wat alle vier kwadranten mogelijk maakt: de voorwaarden waaronder iets als positie, relatie of referentie kan verschijnen.
