
Organisatiedrift
Het ontbreekt onze organisaties aan veel, behalve aan abstracties: organogrammen, indicatoren, procedures, juridische kwalificaties, diagnoses, beleidskaders, registers: de lijst is lang en allesbehalve limitatief. Iedere gemeenschap die boven de schaal van het persoonlijke gesprek uit groeit, krijgt behoefte aan kaders om zich te kunnen coördineren met zichzelf. En vanaf een bepaalde drempel kan ze niet meer zonder. Abstractie is dus geen afwijking of een pathologisch gebrek aan menselijkheid: ze is de prijs van schaalvergroting. Wie haar afwijst, ontkent de complexiteit waarin de samenleving of samenwerking zich afspeelt.
Complexiteit
Abstractie kent wel wat vervelende bijwerkingen: er verdwijnen dingen aar de achtergrond - ze gaan op in datgene waarnaar verwezen wordt. Hoe groter de schaal, hoe meer onvermijdelijk naar de achtergrond verdwijnt. Wat niet in de onderscheiden categorieën past, wordt onzichtbaar. Wie of wat geen plek heeft in het schema, wordt een uitzondering. Wat geen woord heeft in het systeem, wordt institutioneel niet geregistreerd. Kwaadwilligheid komt daar niet aan te pas: het is de manier waarop het schema werkt. En tegelijkertijd het moment waarop de mens die spreekt en die waarover wordt gesproken, uit beeld verdwijnen. Langzaam - niet per sé gewild, maar een noodzakelijk gevolg van het abstraheren zelf.
Wat dan over verloop van tijd in een organisatie, een procedure, een diagnose of een algoritme kan gebeuren, laat zich beschrijven als drift: het systeem begint een eigen logica te ontwikkelen. Die wordt belangrijker dan de mens in het systeem. Wat de logica niet ziet, telt als afwijking, fout of weerstand. Wie de logica bevraagt, krijgt geleidelijk minder spreektijd toegekend: “niet rationeel genoeg”, “niet professioneel genoeg”, “niet ter zake doend” of “niet realistisch”: de lijst met tegenwerpingen is zo groot als het aantal ideeën waar “ja maar” op wordt gezegd.
De dwang van noodzakelijkheid
Tijdelijke noodgrepen worden gewoonten, gewoonten worden regels, regels worden systeem; en uiteindelijk komt er een moment waarop niemand nog aanwijzen wie voor wat verantwoordelijk is. Het systeem voedt zichzelf door zijn eigen disfunctioneren te herstellen met meer van hetzelfde: meer regels, meer overleg, meer controle, meer technologie. Dit is geen kwaadaardige beweging. Ze werkt vanzelf, en juist daarom is ze zo hardnekkig.
Wat geen woord heeft in het systeem, kan niet worden gerapporteerd; wat niet kan worden gerapporteerd, kan niet gebeuren en wat te zwaar is om benoemd te worden, krijgt een eufemisme toegewezen dat het ondraaglijke benoembaar houdt zonder het te benoemen. Wie de logica in vraag stelt, krijgt een etiket: “moeilijk”, “niet coachbaar”, “een attitudeprobleem”. Als dat niet volstaat worden achtereenvolgens de toon en de mens zelf het probleem.
Drift is een tendens; het is geen wetmatigheid. Sommige organisaties driften, andere niet. Het verschil zit niet in goede wil maar in de structurele voorwaarden: pluraliteit van interne logica's die elkaar corrigeren en externe kanalen die het systeem niet zelf controleert (recht, inspectie, klanten, klokkenluiders, pers, ondernemingsraad,…). Waar die voorwaarden ontbreken of wegvallen, krijgt drift de tijd en de ruimte om zich te voltrekken.
Vervreemding
Wat drift doet, is exact wat spreken doet wanneer de mogelijkheid tot bevraging of correctie verdwijnt. Werkwoorden worden zelfstandige naamwoorden - “we beslissen” wordt “de besluitvorming”, “iemand kiest” wordt “de keuze is gemaakt” . De handelende verdwijnt achter zijn handeling. Categorieën verdrijven beschrijvingen - “conform”, “in orde”, “afgehandeld”. Voor wat werkelijk is gebeurd - wat het met iemand heeft gedaan - is geen plek meer.
Handelingspatronen dikken zich in door herhaling en codificatie tot een regel die niemand meer hoeft uit te spreken. Zinnen die hun eigen waarheid scheppen - “wij hebben een open feedbackcultuur” - worden bij herhaling de gedeelde aanname, ook waar de praktijk er niet bij past. Tot slot rechtvaardigt het systeem zich met termen die het zelf heeft gedefinieerd. Wie van buitenaf wil toetsen vindt geen woordenschat om aan te haken: alle relevante begrippen zitten in het kader dat de discussie sluit met “het is het beleid” of “zo werkt het hier nu eenmaal”.
Deze mechanismen werken niet vanzelf - ze worden gehanteerd. Nominalisering, etikettering, autoriteitsclaims en stilzwijgende verharding zijn de instrumenten waarmee definities worden opgelegd. Drift wordt moeilijker te corrigeren naarmate de mechanismen samenvallen met posities die in een organisatie de woordenschat bezetten: directie, juridische dienst, hr, controlefunctie, of gewoon wie het laatste woord heeft in een vergadering.
De constante is dat de spreker verdwijnt. Niemand zegt; iets is gezegd. Niemand kiest; er is gekozen. Niemand draagt; het wordt gedragen. De pathologie zit niet in dat verdwijnen op zichzelf - dat is de normale werking van spreken in een gemeenschap die zich coördineert door wat ooit gezegd is in haar gewoonten op te nemen - maar in het ontbreken van plekken waar de spreker opnieuw zichtbaar gemaakt kan worden. Een gezond systeem is niet een systeem dat minder weglaat; dat zou onmogelijk zijn boven een bepaalde schaal. Het is een systeem dat zichtbaar houdt dat het weglaat, en plekken bewaart waar het weggelatene mag terugkomen.
Onzegbaar is niet onbestaand
Wat het systeem talig wegduwt, verdwijnt overigens niet uit de werkelijkheid - alleen uit de officiële versie ervan. Dat onderscheid is wezenlijk: institutioneel-niet en reëel-niet zijn niet hetzelfde. Wat in een organisatie geen woord meer krijgt, blijft doorwerken in het lichaam:, vermoeidheid, ziekteverzuim, conflict, vertrek en sluipende ondermijning markeren de stille verschuivingen van wie nog spreekt naar wie zwijgt. Maar onder elke benoembare laag bewaart de geleefde ervaring een eigen aanwezigheid die niet wacht op taal om zich te manifesteren.
Drift kan een tijd verbergen wat ze wegduwt, maar ze kan het niet uitwissen: vroeg of laat toont het zich opnieuw, langs kanalen die het systeem evenmin heeft voorzien: conflicten en burn-out.











