Regels voor eerlijk spreken
Het politieke spreken veronderstelt een gedeelde ruimte waarin iedereen gelijke toegang heeft om zijn standpunt zichtbaar te maken. In die ruimte worden uitspraken beoordeeld op hun geldigheid. Waarachtig spreken betekent dan dat onderliggende waarheidsaanspraken expliciet worden gemaakt en dat de redenering een geldige vorm volgt. De kern van die geldigheidsregels is sinds Aristoteles geformaliseerd en sindsdien niet wezenlijk veranderd.
De eerste regel voor eerlijk spreken, is de identiteitswet: wat wordt beweerd, moet tijdens de redenering hetzelfde blijven. Een begrip mag niet ongemerkt van betekenis veranderen; A moet A blijven.
De tweede wet is die van de non-contradictie: een uitspraak en haar ontkenning kunnen niet tegelijkertijd waar zijn; iets kan niet tegelijk zijn en niet zijn.
De derde wet is die van het uitgesloten derde: tussen een bewering en haar ontkenning bestaat geen derde optie; een uitspraak is waar of niet waar.
De vierde regel betreft het syllogisme: een vorm van redeneren waarin uit twee premissen noodzakelijk een conclusie volgt, op voorwaarde dat de premissen juist zijn en de vorm correct wordt toegepast.
Samen vormen deze regels de minimale voorwaarden om geldige redeneringen te onderscheiden van schijnargumenten.