Verzoening en bemiddeling
Er bestaat in de literatuur geen universeel geldige definitie van het begrip “verzoening”. Afhankelijk van de invulling ervan, gaat bemiddeling verzoening vooraf, of net omgekeerd. Wat alle definities gemeenschappelijk hebben, is dat “verzoening” meer betekent dan het beëindigen van een conflict, en minder dan het bereiken van een toestand van volledige harmonie.
Een minimale voorwaarde
Waar iedereen het over eens is, is dat verzoening niet per sé tot vergeving hoeft te leiden. Vergeving is persoonlijk en vrij van plicht. Verzoening betekent niet dat partijen het eens worden, dat het conflict wordt opgelost of dat schuld verdwijnt, maar dat de voorwaarden voor het échte gesprek worden bereikt: het punt waarop partijen elkaar als evenwaardige gesprekspartners tegemoet willen treden. De meest minimalistische interpretatie van “verzoening” verwijst naar de mogelijkheid tot compatibiliteit en het praktiseren van herstel van de relatie. Vanuit dit perspectief is verzoening gericht op de toekomstige verhouding en een noodzakelijke voorwaarde voor herstel, en gaat ze een eventuele bemiddeling vooraf. Verzoening is dan het beëindigen van vijandigheid.
Een verzoeningsgesprek gaat niet over de inhoud van het conflict. Het gaat niet over wie gelijk heeft, wie tekort is geschoten of welke interpretatie van het verleden de juiste zou zijn. Een verzoeningsgesprek gaat over iets dat fundamenteler is: het installeren van een intentie tot coöperatie. Pas wanneer die intentie opnieuw kan worden uitgesproken en wederkerig wordt erkend, ontstaat de ruimte voor bemiddeling.
Zo gezien situeert het verzoeningsgesprek zich vóór de bemiddeling. Het vormt geen onderdeel van het bemiddelingsprotocol, maar de noodzakelijke aanloop voor de opstelling ervan. Wie dit onderscheid niet maakt, loopt het risico bemiddeling te reduceren tot een techniek voor conflictbeheersing, terwijl ze in wezen een politieke praktijk is die conflicten impliceert binnen een wederkerigheid die elke betrokkene als redelijk kan ervaren.
De ruimte van verschijnen
In de filosofie verwijst “het politieke” naar een symbolische ruimte waarin mensen in vrijheid kunnen verschijnen en spreken over een zaak van gedeeld belang. Die ruimte bestaat niet vooraf; ze ontstaat telkens opnieuw wanneer mensen zich tot elkaar richten en elkaars aanwezigheid erkennen. Het politieke is geen plek, maar een gebeuren. Wie spreekt en handelt in vrijheid, zet iets in beweging waarvan de gevolgen niet volledig te beheersen zijn. Die kwetsbaarheid is de kern van vrijheid zelf.
In dat licht kan een verzoeningsgesprek worden begrepen als een politieke handeling: het expliciteren van de intentie om het verschil als vertrekpunt te erkennen.
Die belofte is kwetsbaar. Ze kan niet worden afgedwongen, niet worden gemoraliseerd en niet worden geconditioneerd door vooraf vastgelegde waarheidsclaims. Verzoening veronderstelt daarom een voorafgaand kader waarin partijen samen onderzoeken of ze zich opnieuw willen verbinden aan een gemeenschappelijke manier van spreken en handelen.
Dat kader is een symbolisch contract dat voorafgaat aan bemiddeling: een gezamenlijke toetsing van de principes waaraan een hernieuwde samenwerking zou moeten voldoen. Niet om vast te leggen wat waar is, maar om te bepalen wat redelijkerwijs van elkaar kan worden gevraagd.
Meervoudige ethische toetsing
Om te vermijden dat één moreel register het gesprek kan domineren, kan deze contractuele aanloop aan minstens vier ethische criteria worden getoetst:
- Verzoening kan alleen plaatsvinden op basis van vrije instemming; niemand mag louter gereduceerd worden tot een instrument om rust, reputatieherstel of institutionele stabiliteit te bekomen,
- Een hernieuwde intentie tot coöperatie moet redelijke vooruitzichten bieden op minder schade, minder escalatie en meer handelingsruimte dan het voortzetten van het conflict.
- Verzoening is een keuze, geen plicht. Ze verliest haar betekenis zodra ze wordt ingegeven door angst, druk of morele vermoeidheid.
- Partijen geven blijk van praktische wijsheid, billijkheid en waarachtigheid, en erkennen die ook bij de ander,
Van verzoening naar bemiddelbaarheid
Wanneer partijen erin slagen een hernieuwde intentie tot coöperatie te formuleren die deze toetsen doorstaat, wordt erkend dat het conflict bemiddelbaar is. Dat vormt de basis voor het bemiddelingsprotocol. Dat protocol is meer dan een louter juridische formaliteit, een symbolische en rituele handeling. Door het te ondertekenen, geven partijen de macht over de vorm van het gesprek uit handen aan vooraf vastgelegde regels die gelijke toegang tot de ruimte van verschijnen moeten garanderen. Het protocol werkt als een dam tegen discursieve dominantie: geen enkele stem, betekenis of interpretatie krijgt het alleenrecht - dat werd immers zo afgesproken.
Het protocol als inwijding
Waar het bemiddelingsprotocol vaak wordt gezien als een drempelverhogende formaliteit, krijgt het vanuit dit perspectief een andere betekenis. Met het ondertekenen ervan verklaren de deelnemers zich akkoord met de inrichting van een symbolische ruimte waarin ze elkaar erkennen als vrije, eerlijke en zoekende mensen rond een zaak van gedeeld belang.
Het protocol wordt zo een inwijdingsritueel. Niet omdat het iets afsluit, maar omdat het zichtbaar maakt dat aan de eerste en meest fundamentele voorwaarde van een echt gesprek is voldaan: de wederzijdse erkenning van de ander als coöperatieve actor.
Pas daar, en nergens eerder, begint bemiddeling.