Een verhelderend gesprek

“Het was een verhelderend gesprek” zeggen we dan. Maar wat bedoelen we daar precies mee? Dat het licht is aangegaan?

Laatst zag ik in de eindeloze stroom berichten op facebook een foto van een brandende lucifer waarbij de schaduw van de vlam onzichtbaar was; “Nooit over nagedacht” luidde het begeleidende commentaar.

Dat had ik ook nog nooit gedaan. Het beeld van de lucifer als de mens die zich in zijn schaduw herkent maar zijn bewustzijn - de vlam - niet kan zien, leek me nog wel een passende metafoor voor de gedachte dat het bewustzijn zichzelf niet kan observeren omdat het nu eenmaal het observerende medium zelf is. Over dat probleem en zijn consequenties bestaat in de filosofie overigens geen concensus en het ziet er ook niet naar uit dat die ooit bereikt gaat worden.

Maar niets is wat het lijkt: de wetenschap leert dat een vlam wel degelijk een schaduw werpt. Maar die schaduw is niet zomaar zichtbaar. Een vlam is geen zuivere lichtbron; ze bestaat uit gloeiende roetdeeltjes en gasmengels.  Als je een kaars voor een lamp zet, zie je de schaduw wél: in het licht van de lamp. Maar hoewel onze waarneming ons bedriegt, blijft het principe  overeind: licht kan zichzelf niet verlichten.

En zo blijft ook de metafoor overeind - zij het op een wetenschappelijke grond die ons waarnemingsvermogen overstijgt. Net zoals de schaduw van de vlam verborgen blijft, blijft ons bewustzijn verborgen voor onze observatie. We kunnen onszelf maar observeren in een licht dat krachtiger schijnt dan het onze.

Het feit dat de schaduw van een vlam alleen zichtbaar is bij een sterkere lichtbron, is een gevolg van de werking van contrast. Contrast is het verschil dat maakt dat dingen van elkaar te onderscheiden zijn. Zonder contrast is er geen waarneming: wat niet van de achtergrond verschilt, is niet zichtbaar: zonder contrast is er geen definitie. We zijn ons vaak pas bewust van ons eigen bewustzijn wanneer het botst met iets dat groter of anders is - een diepe crisis, een overweldigende ervaring of een radicaal ander perspectief. De ander moet contrasteren willen we onszelf kunnen kennen.

Dat geldt overigens ook in de dimensie van tijd. Opportuniteiten zijn een gevolg van het herkennen van de manifestatie van het toeval - het ogenblik dat zich van alle andere ogenblikken onderscheidt.

Je moet de mogelijkheid hebben om de dingen te kunnen zien komen. Het aandienen van opportuniteiten heeft misschien meer te maken met de vaardigheid om ze te herkennen dan met het toeval. Punt is dat we misschien te veel verwachten dat wat zich nog moet aandienen er uit zal zien zoals dat wat we al kennen. We verwachten vaak niet dat de nieuwe realiteit zich misschien onder een hele andere gedaante aan zou kunnen kondigen. Daarom herkennen we het moment vaak niet of te laat - of pas als het als een gemiste kans alweer uit beeld verdwijnt.

De oude Grieken hadden er destijds een godheid voor: Kairos. Deze haast ongrijpbare, naakte en vaak van vleugeltjes voorziene vriend van Chronos leek naar eigen goeddunken en believen te komen en te gaan - wie hem tegenkwam moest verdomd handig en snel zijn om hem bij zijn ene haarlok te kunnen grijpen. De Oude Grieken wisten dat "Het juiste moment" niet iets was dat je zomaar overkwam: je moest zorgen klaar te zijn om het te kunnen herkennen en het op te kunnen vangen. Daarvoor is contrast nodig; anders zou Chronos niet van Kairos - de achtergrondruis van de verschrijdende tijd - te onderscheiden zijn.

De impact die mensen kunnen hebben op het creëren van de juiste omstandigheden om Kairos te kunnen ontvangen, staat lijnrecht tegenover de gedachte dat mensen niet anders kunnen dat hun lot te ondergaan.

De uitdaging situeert zich op het vlak van het overstijgen van een contradictio in terminis: iets herkennen dat nog niet is gekend. Het gaat over het opmerken dat zich iets aandient en over het geven van betekenis eraan. Daar hebben we een gevoeligheid voor nodig die een gebrek aan contrast kan compenseren.

Die gevoeligheid gaat een pak verder dan datgene wat klassiek de zintuiglijke waarneming wordt genoemd. Uiteraard helpt het om die te verfijnen met nieuwe indrukken: muziek, beeldende kunst, cullinaire geneugten, de literatuur en het hele leven zelf zijn bronnen van kennis en ervaring. Maar als we er in verzwelgen, verliezen we het contrast. En omgekeerd geldt dat wie de aarde vanuit de ruimte bekijkt al wat zich daar afspeelt in één beeld vat, maar geen enkel beeld krijgt van de complexiteit van de gelaagdheid op de grond.

Deze gevoeligheid voor contrast manifesteert zich zelfs in de meest eenvoudige lichamelijke ervaring. Als ik in de tuin zit - in kleermakerszit op de grond - kan het gebeuren dat er een briesje opsteekt dat me de begrenzingen van mijn lichaam kan doen voelen. Dan voel ik als het ware de wind tegen mij aanvloeien - net alsof ik me in water zou bewegen. Ik kan de wind maar voelen omdat ik niet wegvlieg: daarvoor weeg ik nu eenmaal te zwaar. Mocht ik een blad papier zijn, zou ik zo worden meegevoerd - zonder dat ik de begrenzingen van mijn lichaam zou kunnen voelen door de streling van de wind. Het zou voelen als in de windstilte in een luchtballon die door een sterke wind wordt meegevoerd. Ik zou de begrenzing van mijn lichaam pas voelen op het moment dat ik ergens tegenaan wordt geblazen - met alle pijnlijke gevolgen vandien. Door mijn gewicht blijf ik onbeweeglijk in mijn eigen kracht op mijn plaats - zittend in kleermakerszit in het gras. Daardoor kan ik de milde kracht ervaren van de wind die mijn aandacht vestigt op een stuk van mezelf: mijn huid. Ze manifesteert zich in contrast met iets anders en dan nog meer bepaald door de variatie in de kracht van de wind. Als ik stil blijf zitten voel ik mijn huid niet - ook niet door de druk van mijn kledij. Pas als ik beweeg voel ik mijn huid door de wrijving ervan met mijn kledij.

Wat zich aandient, heeft te maken met onze gevoeligheid voor contrast en ons vermogen tot nuancering - zowel op het vlak van kennen, handelen en ervaren, als op het vlak van betekenisgeving. Net zoals een object zichtbaar wordt omdat het van de achtergrond kan onderscheiden worden en het moment zichzelf laat kennen omdat het als opportuniteit kan worden erkend, ontstaat betekenis waar gevoeligheid en contrast elkaar ontmoeten.

Dat kan maar gebeuren in een gesprek - met de ander of met zichzelf. Een gesprek kan maar  verhelderen wanneer het contrast en de gevoeligheid nauwkeurig op elkaar zijn afgestemd.