De performatieve kracht van diagnoses

In de jaren zeventig van vorige eeuw zorgde de psycholoog David L. Rosenhan voor heel wat controverse met de publicatie van een studie over psychiatrische diagnostiek. Volgens Rosenhan werken diagnoses stigmatiserend. Wie een diagnose krijgt, komt terecht in een discours waarin de mens niet meer als mens maar als symptomatische verschijning van een diagnose wordt geïnterpreteerd.

Die gedachte was niet nieuw: verschillende filosofen en wetenschappers wezen er al eerder op dat een psychiatrische diagnose leidt tot alternatieve interpretaties van gedrag. Handelingen die buiten het diagnostische kader banaal of rationeel zouden lijken, verschijnen binnen dat kader als symptoom. Anders gezegd: de diagnose  herstructureert de waarneming.

Rosenhan stuurde bij wijze van experimant acht proefpersonen zonder psychiatrische stoornis naar  verschillende psychiatrische ziekenhuizen. Allemaal simuleerden ze een existentiële crisis. Ze werden allemaal opgenomen - meestal met een diagnose van schizofrenie. Hoewel de proefpersonen zich na hun opname normaal gedroegen, werd geen van hen als geestelijk gezond herkend. Gemiddeld werden ze negentien dagen opgenomen - in één geval duurde de opname zelfs tweeënvijftig dagen.

De resultaten van het experiment wijzen op een structurele dynamiek waarbij betrokkenen worden meegezogen in een discours: de blik van de onderzoeker wordt vooraf gevormd door het diagnostische kader waarin hij of zij opereert. Zodra een diagnose is toegekend, verschuift de betekenis van gedrag: handelingen die buiten het klinische kader neutraal of banaal zouden lijken, verschijnen binnen dat kader als een mogelijk symptoom. De werkelijkheid wordt niet alleen geïnterpreteerd: ze wordt  geproduceerd door het interpretatiekader zelf.

Het experiment kan worden gezien als een illustratie van discursieve performativiteit. De proefpersonen verschenen niet meer als individu, maar als een classificatie. Het oordeel over wat relevant, afwijkend of betekenisvol is, wordt gestuurd door het verhaal dat de diagnose  heeft opgelegd.

Die vertekening is minder een gevolg van individuele vooroordelen dan van een epistème - een geordend geheel van aannames en overtuigingen dat bepaalt wat in een bepaald tijdperk  als gezond of ziek kan verschijnen. Wat zichtbaar wordt als symptoom - wat als normaal of verdacht wordt geïnterpreteerd - hangt samen met historisch gegroeide categorieën, classificaties en professionele normen. De onderzoeker is een deel van een systeem van betekenissen dat de grenzen bepaalt van wat gedacht en gezegd kan worden.

Het experiment maakt alleszins duidelijk dat diagnostiek contextgevoelig is en dat toegekende labels sturend zijn voor de (morele) interpretatie van menselijk gedrag. Het toont hoe sterk institutionele taal, classificaties en verwachtingen de perceptie van gedrag kunnen beïnvloeden. Daarmee levert het een bijdrage aan de bredere discussie over hoe kennis, macht en betekenis samenhangen in medische en sociale praktijken. Het experiment mag zich dan al in de sfeer van de klinische diagnostiek bevinden; de inzichten zijn onverminderd van toepassing op de manier waarop labels worden toegekend in de omgang met elkaar - thuis, op het werk of eender waar mensen samenkomen rond een gedeeld belang.

Na de publicatie van de resultaten van het onderzoek nam Rosenhan contact op met een psychiatrisch ziekenhuis dat zijn bevindingen in twijfel had getrokken. Het ziekenhuis was  bereid om toekomstige pseudopatiënten te detecteren. In de daaropvolgende periode beoordeelden medewerkers tientallen nieuwe patiënten als mogelijke simulanten. Rosenhan rapporteerde later dat hij in deze periode geen enkele proefpersoon naar het ziekenhuis had gestuurd.

Daarmee werd het debat niet beëindigd: kritieken op het experiment wezen op een selectieve rapportage en op het feit dat in de tijd van het experiment geen strikte criteria bestonden (DSM-III). Daarbij werd het vervolgonderzoek onethisch en onwetenschappelijk genoemd omdat het een sfeer van paranoia creëerde waarin de hele diagnostiek ten onrechte verdacht werd gemaakt.

Wat wél overeind blijft, is de fundamentele vraag hoe een al dan niet medische diagnose onze morele houding ten opzichte van de ander kan veranderen. De filosoof Johathan Glover stelt dat wie louter als klinisch object wort gezien, uitgesloten wordt van de kern van menselijke relaties. En dat leidt tot de moeilijke oefening om de causale factoren achter gedrag te erkennen zonder de ander de status van verantwoordelijk medemens te ontnemen.

De illustratie bij dit artikel is een AI-gegeneerd beeld, geïnspireerd op een scene uit "One Flew Over The Cuckoo's Nest" uit 1962. De film gaat over macht, normalisering, vrijheid en menselijkheid in een psychiatrisch ziekenhuis.