De meesterzet van De Wever
De media toeteren vol ontzag over de onderhandelingsvaardigheden van de Belgische premier. De overwinning die De Wever wordt toegedicht, is minder het gevolg van briljant politiek inzicht dan van een oordeelkundige strategie. Los van de wenselijkheid of de ideologische drijfveren en implicaties van zijn strategie - De Wever is nu eenmaal een notoir rationalist - levert zijn strategie wel wat inzichten voor bemiddelingsgerichte interventies bij escalerende conflicten in organisaties en instituten - zeker als morele oordelen het discours beginnen te bepalen.
Niets is wat het lijkt
Met “het discours” wordt hier al hetgeen bedoeld dat bewust of onbewust bepalend is voor wat bespreekbaar is en wat niet. Dat discours is altijd afhankelijk van machtsposities: als de directeur zich uitspreekt over wat waarheid is, is de kans klein dat er iemand in de vergadering nog op het idee komt om een andere visie te expliciteren. Het discours is echter veel ruimer dan dat: het zit ook in de structuur van de taal en het denken, in de structuren van instituties en organisaties, het klinkt door in regels en procedures en het is zelfs zichtbaar in de manier waarop we aan ruimtelijke inrichting doen. Het discours staat voor datgene wat in een bepaalde sociale groep als vanzelfsprekend wordt geacht. Wat zich aandient als een neutraal “nu”, is altijd gebouwd op een geschiedenis die hoe dan ook bepalend is voor wat in het “nu” geldig is: het dominante discours. Een dominant discours heeft de neiging andere visies te minimaliseren, te banaliseren of te isoleren. Maar het is niet omdat een discours dominant is, dat het per definitie juist zit. Voortschrijdend inzicht begint bij één iemand die het lastig heeft, een groep die zich oncomfortabel begint te voelen of instituties die tegen hun grenzen beginnen lopen.
Het discursief dominant discours dat De Wever handig wist te omzeilen, resoneert sterk met de algemene sympathie voor Oekraïne en de aversie tegen Rusland. Daarbij stelde het Europese discours dat het moreel juist is om Oekraïne te steunen met Russisch geld dat in Brussel staat geblokkeerd. Wie het daarmee oneens is, wordt weggezet als “pro Russisch” of “niet solidair”. Die morele kwalificatie wordt gebruikt om de discussie te sluiten. Ze dwingt de deelnemers in het debat in een vals dilemma: solidair of niet solidair. Je bent voor Rusland of ertegen.
In de escalatiefase van een conflict is de bemiddeling als formele interventie maar zelden een goeie optie: het is een typisch kenmerk van hyperconflicten dat elke actie of uitspraak van de ander per definitie een negatieve intentie krijgt toegekend. Zolang een conflict in het veld van de morele oordeelsvorming zit, is er geen beginnen aan. De vraag is hoe het daar weg te krijgen. En hier heeft De Wever - bewust of onbewust - exact de effectieve stappen gezet om zijn slag thuis te kunnen halen: hij zette de morele kwalificaties buitenspel, herkaderde het conflict, en keek vervolgens rustig toe hoe het dominant discours zichzelf vastreed in een moeras van claims die het niet kon waarmaken.
Deze strategie is breed toepasbaar - in het bijzonder als de institutie of organisatie zelf onder druk staat, bijvoorbeeld door polarisatie of kampvorming, machtsmisbruik of oneigenlijk gebruik van procedurele middelen of diagnoses - vaak uitmondend in zwaarbeladen terminologie als “toxisch leiderschap” of “grensoverschrijdend gedrag”.
Er zit een verschil tussen de juridische kwalificatie van diagnoses en tussen de beleving van hetzelfde gedrag. Het eerste is onderwerp van de rechtspraak en rechtsgeldigheid, het tweede van werkelijke en wederkerige dialoog en van het streven naar rechtvaardigheid. Zonder rechtsgeldigheid blijft rechtvaardigheid niet bestaan, en rechtsgeldigheid blijft niet bestaan zonder rechtvaardigheid. Het ene is onderwerp van de rationele rede, het andere van de redelijkheid: de normativiteit en de moraliteit zitten elkaar voortdurend in de haren en ze kunnen niet zonder elkaar. Op het moment dat de moraliteit ter discussie staat, biedt de normativiteit een uitweg.
De-escalatie
De eerste stap in de de-escalatie, bestaat uit het weren van morele kwalificaties uit de besluitvorming. In vrijwel elke escalatie ontstaat de druk om onmiddellijk een moreel oordeel te vellen: voor of tegen, goed of fout, slachtoffer of dader. Deze druk moet expliciet worden herkend als een discursieve versneller die nefast is voor het helder denken. De interventie begint daarom met het vertragen van het conflict door het morele register te erkennen als bron van legitieme ervaring, maar uit te sluiten als criterium voor institutionele of collectieve besluitvorming.
Ook het kiezen voor normativiteit, procedures en rechtsgeldigheid is een morele keuze. Die kan worden gerechtvaardigd door een al dan niet geformaliseerd universeel principe dat iedereen onderschrijft. Hannah Arendt beschrijft dat als "oordeelskracht die voorafgaat aan morele categorisering".
De tweede stap volgt logisch uit de eerste: het herkaderen van het conflict van een moreel naar een structureel probleem. In plaats van te spreken over over de inhoud of bedoelingen, wordt het vraagstuk geformuleerd in termen van regels, procedures, rollen en verantwoordelijkheden. Zo verschuift de vraag van “wie heeft gelijk?” naar “welk systeem van afspraken, normen of verwachtingen maakt deze situatie mogelijk en hoe geraken we er uit?” Deze beweging zorgt ervoor dat morele oordelen, het toedichten van intenties en psychologisering buiten spel worden gezet, en dat makkelijk een vrijblijvend alternatief kan worden voorgesteld.
Daarbij worden niet-onderhandelbare randvoorwaarden expliciet vastgezet. Die worden niet als eis of dreigement gepresenteerd: ze zijn een noodzakelijke voorwaarde voor de legitimiteit van het proces. Typische randvoorwaarden zijn: hoor- en wederhoor, procedurele transparantie, afbakening van rollen, en het vermijden van diagnostische of morele etikettering als substituut voor argumentatie. Het strategische inzicht is dat randvoorwaarden geen blokkade vormen, maar een kader waarbinnen alternatieven mogelijk blijven. Wie deze randvoorwaarden schendt, valt impliciet de legitimiteit van het proces zelf aan.
Door de discussie te verplaatsen naar normativiteit - het veld van regels en procedures - krijgen de partijen een "gouden brug" om over te steken. Niemand hoeft een morele fout toe te geven: iedereen kan makkelijk vaststellen dat de procedure technisch onvolledig was. In plaats van een gevecht over waarden die vaak onveranderlijk zijn, wordt het conflict een puzzel over afspraken die aanpasbaar zijn.
Daarop volgt de derde stap: het discursief laten vastlopen van gecontesteerde denkpistes op hun eigen voorwaarden. In plaats van een denkpiste te weigeren, wordt ze consequent ernstig genomen en getoetst aan haar eigen impliciete aannames: zijn de procedures sluitend, zijn de garanties afdwingbaar, zijn de definities helder, is de precedentwerking doordacht? Door die vragen consequent te blijven stellen, zonder ironie of emotie, wordt zichtbaar of een denkpiste steek houdt. Als ze niet kan worden weerhouden is dat niet het gevolg van weerstand, maar door haar eigen inconsistentie.
Ondertussen blijft het voorgestelde alternatief op de achtergrond beschikbaar als een rationele mogelijkheid die pas aantrekkelijk wordt wanneer het oorspronkelijke voorstel zijn geloofwaardigheid verliest.
Naar een nieuw begin
Deze interventie vraagt discursieve discipline: consistent taalgebruik, vermijden van escalatie-uitlokkende metaforen en framing, geen persoonlijke aanvallen, geen speculatie over intenties van anderen. De uitdaging is om te weerstaan aan natuurlijk conflictgedrag dat gemakkelijk verleidt tot psychologisering en pathologisering. De kans is groot dat partijen zullen proberen het betoog te herleiden tot emotionele motieven van de ander: gekwetstheid, boosheid, onvermogen, rouw, projectie. De boodschap luidt telkens impliciet: ongeacht de emotionaliteit, blijft de basis van elke handeling de procedurele legitimiteit van het kader waarin het conflict wordt uitgevochten - en waarin de moraliteit zichzelf zal moeten hervinden.
De interventie is succesvol wanneer alle partijen het resultaat kunnen presenteren als rationeel, noodzakelijk of onvermijdelijk en er zonder gezichtsverlies mee weg kunnen komen. Wat voor De Wever een berekend einddoel was, is een startpunt voor bemiddeling.