De Hegeliaanse Sittlichkeit als remedie tegen burn-out

De politieke filosofie van Hegel leert ons dat particuliere behoeften moeten worden bemiddeld door het werkgeversgezag en de hiërarchische lijn. Maar in moderne arbeidsorganisaties staat die bemiddeling onder druk door de combinatie van neoliberaal gedachtengoed, systeemdenken en toenemende psychologisering. Dat leidt in de organisatiepraktijk tot instrumentalisering, vervreemding, betekenisverlies en tot collectieve burn-out.

De burgerlijke maatschappij

De drie kenmerken die Hegel de burgerlijke maatschappij toeschrijft - arbeidsdeling, onderlinge afhankelijkheid en spanningen - vormen nog altijd de kern van de moderne arbeidsorganisatie. Daar verschijnen ze onder de vorm van gespecialiseerde functies, rollen en competentiematrixen. Werknemers werken samen in teams; ze worden gestuurd door processen, workflows, supply chains en matrixstructuren. Hun individuele bijdrage wordt opgeslokt door de complexiteit van het systeem. En net als in de burgerlijke maatschappij, is de werkvloer het toneel van botsende particuliere belangen die vaak tot universele norm worden verheven.

Waar Hegel de burgerlijke maatschappij beschrijft als een sfeer waarin tegenstrijdige particuliere noden, behoeften en belangen in evenwicht moeten worden gehouden door instituties van zedelijkheid (Grundlinien der Philosophie des Rechts §§ 182–208), heeft het neoliberale discours van dat particuliere een universele norm gemaakt.

Met “zedelijkheid” verwijst Hegel naar de institutionele en relationele structuren waarin mensen in vrijheid betekenisvolle en verantwoordelijke keuzes kunnen maken. Dat gebeurt op drie niveaus: dat van het gezin, dat van de burgerlijke maatschappij en dat van de staat als het geheel van instituties dat de universaliteit vorm geeft. In de eenentwintigste eeuw staan die structuren meer dan ooit onder druk. Het gezin is niet langer de hoeksteen van de maatschappij, de burgerlijke maatschappij verheerlijkt de individuele vrijheid en de fundamenten van de staat liggen onophoudelijk onder vuur.

De arbeidsorganisatie als afspiegeling van de burgerlijke maatschappij

Hegel leefde en werkte op het moment van de overgang van de klassieke ambachtelijke en agrarische nijverheid naar de industriële arbeidsorganisatie. Hij kon niet voorzien dat het gevaar dat hij beschreef - de gevolgen van de particulariteit - gaandeweg tot ideologisch ideaal zou worden verheven waarin marktlogica, performativiteit en individuele zelfoptimalisatie worden gepresenteerd als natuurlijke noodzakelijkheid.

Die tendens kan niet los worden gezien van de opkomst van het neo-liberale discours, de intrede van het systeemdenken in organisaties en van de psychologisering van het maatschappelijk debat.

Vanaf de jaren ’80 van vorige eeuw drong de economische rationele logica door in alle domeinen van het leven. De mens wordt sindsdien aangesproken als een zelfsturend object. In plaats van instituties die voor zekerheid zorgen, wordt het individu zelf verantwoordelijk voor zijn loopbaan en zijn mentaal welzijn.

De populariteit van het systeemdenken in organisatiecontext gaat terug tot de historische nood aan een alternatief voor het wetenschappelijke managementdenken van Taylor, Fayol en Weber. Gaandeweg kreeg het de allure van een meta-wetenschap die alles kon verklaren. Maar het systeemdenken houdt geen rekening met het feit dat de complexiteit van menselijke relaties en ervaringen zich nooit volledig laat verklaren door biologische feedbackmechanismen. Het biedt werkgevers een jargon waarmee over spanningen kan worden gesproken zonder de discursieve structuren waarin die zich afspelen, te moeten benoemen. Op die manier wordt systeemdenken naadloos ingepast in een managementdenken dat rationeel, waardevrij en oplossingsgericht wil zijn.

Daarnaast werd de psychologie vanaf het begin van de twintigste eeuw niet alleen een wetenschap, maar ook een instrument van sociale organisatie. De industriële psychologie van Taylor en Mayo leverde de inspiratie om via motivatietheorieën de productiviteit te beïnvloeden. De humanistische psychologie van Maslow en Rogers legde het accent op individuele groei, authenticiteit en de behoefte aan vervulling van particuliere behoeften. En de cognitieve en positieve psychologie leverden de inzichten om gedrag te modelleren en welzijn te kwantificeren.

Waar zelfrealisatie bij Hegel nog door zedelijke instituties werd bemiddeld, wordt het nu onderwerp van individuele internalisering en objectivering, en dus ook onderwerp van persoonlijk falen of succes. Zo ontstaat een cultuur waarin het individu tegelijkertijd vrij, verantwoordelijk en kwetsbaar moet zijn, terwijl de sociale structuren die vrijheid draaglijk en betekenisvol zouden moeten maken, systematisch worden uitgehold.

De depolitisering van de werkvloer

Zo wordt de werkvloer een afspiegeling van de burgerlijke maatschappij waarin het neo-liberalisme de particulariteit verheft tot universele norm, het systeemdenken wordt ingezet om de onderlinge afhankelijkheden te depolitiseren en de psychologie de spanningen internaliseert. Daardoor blijven de spanningen onder de waterlijn. Door het gebruik van technisch, waardevrij jargon krijgt elk probleem een schijn van neutraliteit, terwijl het individu rechtstreeks verantwoordelijk wordt gesteld. Het is net dat mechanisme - depolitisering door systeemtaal en internalisering via psychologie - dat de institutionele bemiddeling ondergraaft. Het ideaal van de particuliere vrijheid is een cellencomplex geworden voor ware authenticiteit.

Ook de moderne arbeidsorganisatie geeft nauwelijks of geen invulling aan de sociale en morele rol die de corporaties zoals Hegel ze zag, voor hun rekening namen. Voor Hegel waren corporaties beroepsgemeenschappen die bemiddelen tussen de familie en de staat, met eigen normen, wederzijdse zorg, erkenning van vakmanschap en morele opvoeding - allemaal nodig voor een volwaardige deelname aan het publieke leven. De corporatie was een economisch organisme met een morele en sociale functie.

Waar we kunnen stellen dat de moderne vakbonden zijn ontstaan uit de behoefte aan corporatieve solidariteit, blijken ze niet in staat om zich te presenteren als het equivalent van de zedelijke tegenkracht in Hegels burgerlijke maatschappij. Waar in de oude corporaties de particuliere belangen intern werden gemedieerd, gebeurt dat nu in een strijdmodel tussen vakbonden en werkgevers op basis van een contract tussen de vakbond en elk van haar leden.

De combinatie van al deze factoren maakt dat werknemers als maar minder toegang hebben tot een institutionele orde die hen kan beschermen en betekenis kan verlenen. Ze blijven onbemiddeld achter in een wereld van abstracte arbeid en competitiviteit, zonder onderlinge solidariteit of een gedeelde horizon - helemaal op zichzelf aangewezen.

Burn-out

Hegel doorgrondt dan wel de institutionele logica die vrijheid mogelijk maakt, maar hij geeft geen antwoord op de vraag hoe die beschermd kan worden tegen discursieve dominantie.  Hij lijkt te vertrekken van een rationeel mensbeeld waarbij elke mens van nature naar zedelijkheid - de ware vrijheid in onderlinge verbondenheid - zal streven.

Wanneer instituties niet langer bemiddelen, komt de mens in een vacuüm terecht. Als arbeid niet meer bijdraagt aan zelfrealisatie en de sociale inbedding ervan verloren gaat, wordt arbeid zinloos. Ergo: waar arbeid het zelf moest bevestigen, is het een bron van ontregeling geworden.

Een Hegeliaanse blik op de werkvloer, leert ons dat burn-out minder een psychologisch of medisch, dan wel een politiek probleem is: het is eerder een probleem van institutionele erosie dan dat van een medische aandoening.

Net zoals in de burgerlijke maatschappij wordt de mens in de moderne economie voortdurend aangespoord zijn waarde te bewijzen. Hij moet prestaties leveren, doelen behalen, zichzelf optimaliseren en vooral: zelf verantwoordelijk zijn. Gemeenschapszin, beroepseer, rolzekerheid, mandaten en bevoegdheden, eroderen. Dat speelt zich allemaal af in een maatschappelijke context die eindeloos versnelt en aanzet tot flexibiliteit, beschikbaarheid, groei en concurrentie en waarin het sociale weefsel stelselmatig wordt uitgedund onder het mom van efficiëntie en kostenbesparing. Het gevolg is dat het individu zichzelf moet zien te handhaven: de instituties die bemiddelend zouden moeten werken, zijn allemaal onderwerp van psychologische interiorisering onder de noemer van welzijn.

En hier is het dat burn-out tot verschijnen komt: op het moment dat de mens zich realiseert dat hij zichzelf kwijt is geraakt in het nalopen van een zichzelf opgelegde moraal die geen weerklank in de wereld vindt. Een structurele oplossing voor de huidige burn-out-epidemie moet dan ook niet zozeer worden gezocht in het leren omgaan met leegte en zinloosheid, maar in het faciliteren van cohesie. En dat staat lijnrecht op de neo-liberale logica.